Carlos Alcaraz speelt deze week in Wenen. Hij was niet van plan te komen, hij heeft een uitnodiging aanvaard. Dinsdag omstreeks 15u30 speelt hij tegen Karen Khachanov. Dat heb ik meteen begrepen.
Wat ik niet begreep, is de zin die hij in de mixed zone zei, een paar uur voor de match: „Ik ben tevreden over hoe ik speel en over mijn huidige niveau, maar ik heb het gevoel dat ik er nog niet helemaal bij ben.”
Domme vraag, maar waar ligt dat, „erbij”? Eerst dacht ik aan een plek, zoals een zaal waar iedereen zit. Dan zou er dus ergens een „erbij” zijn, en hij staat er net naast, in de gang.
Ik heb zijn resultaten nagelezen in het artikel van We Love Tennis, in de trein van 7u32. Kwartfinale op de US Open, verloren in de supertiebreak van de vijfde set tegen Ben Shelton, die naar de finale ging. Titel in Tokio. Derde ronde in Shanghai. Als dat naast „erbij” staan is, vraag ik me af wat ik dan ben ten opzichte van „erbij”. In een andere stad, denk ik.
Hij gaf nog een aanwijzing: „Ik moet hier komen, met die jongens trainen, tegen hen spelen om mijn ritme terug te vinden, of toch om het beetje bij beetje terug te vinden.” Dus „erbij zijn” en het ritme is misschien hetzelfde. En je vindt het terug door tegen mensen te spelen. Hij zegt dat hij dit jaar niet veel wedstrijden heeft gespeeld en dat hij net enkele weken zonder competitie achter de rug heeft.
Dat betekent dat je in het tennis, als je je een beetje verloren voelt, er een toernooi bij neemt. Als ik me verloren voel, ga ik terug naar mijn kot.
Erbij zijn, dat is als je lange-lijn-forehand drie keer na elkaar binnenvalt. Ik zat erbij, in maart. Op dinsdagavond.
Genoteerd. Volgens We Love Tennis wil hij vertrouwen en ritme terugvinden voor Parijs, Turijn en de Davis Cup. Kortom, ik heb nog veel te leren.
Het klopt, we hebben het nagekeken: We Love Tennis.







