Maja Chwalinska, een Poolse van 25, won zondag in Wuhan haar eerste titel, tegen de Britse Sonay Kartal: 2-6, 6-4, 6-2. Maandag is ze 11e van de wereld. Ik zat in mijn kot in Louvain-la-Neuve en las haar speech dezelfde avond in We Love Tennis.
Eén zin hield me tegen. Ze zei: „Er zijn mensen die van thuis naar me kijken en die zich zullen herkennen.” Domme vraag, maar hoe weet je of je erbij hoort? Ik heb van thuis gekeken. Technisch vink ik dus het eerste vakje aan. Voor het tweede heb ik gewacht tot ik iets voelde. Ik voelde honger.
Ik heb opgelijst wie ze bedankt heeft, in volgorde. Haar team. Haar twee coaches. Haar kinesist. De mensen die van thuis kijken. Het publiek van de hele week, voor de mooie cadeaus en de energie. Ze voegde toe dat het haar eerste keer in Wuhan was en dat het zeker niet de laatste zou zijn. Ik heb geen cadeau gegeven. Ik schrap een vakje.
Daarna zei ze volgens Tennis Channel „Wǒ ài nǐ” nadat ze de trofee had opgetild. Ik heb het nagekeken: het is „ik hou van je” in het Chinees. Ze heeft ik hou van je gezegd tegen een hele stad. Men zegt me dat het traditie is om een woord in de taal van het land te zeggen, oké, maar wat dan nog? Mij hebben ze op de redactie „tot straks” gezegd en ik heb een uur gewacht.
Dan heb ik de rest van haar parcours gelezen. 114e van de wereld op Roland-Garros, finale na de kwalificaties. Daarna vijf nederlagen in zes wedstrijden. Dan een titel op een WTA 1000. Niemand op de redactie kon me uitleggen wat er verandert tussen nederlaag nummer vijf en de finale van Wuhan. Ik heb het nagekeken, en eigenlijk weet niemand het.
De bespanning, Maxime. Het is altijd de bespanning.
Daar heeft ze in haar speech niets over gezegd. Niet over de bespanning, niet over mij. Kortom, ik heb nog veel te leren.
Het klopt, we hebben het nagekeken: We Love Tennis.






