De jongeman heeft in Peking weer gewonnen. Vierendertig keer, zegt men me, en nooit verloren. Hij versloeg deze week Zverev en Medvedev.
Daarna zette men hem voor de microfoons en vroeg men hem waarom tennis zo veeleisend is. Hij zei dat het een wrede sport is, met rechtstreekse uitschakeling. Dat je niet op de bank kunt blijven zitten wachten tot iemand je komt vervangen. Dat je in de eerste ronde kunt verliezen door een slecht geslapen nacht, of door een voedselvergiftiging.
Hij zei ook dat Turijn het enige toernooi van het jaar is waar in poules wordt gespeeld. Eén keer per jaar dus.
Bij ons speelde mijn tante het hele jaar in poules, aan de whisttafel. Wie een ronde verloor, bleef aan tafel zitten, kreeg nog koffie, en de kaarten werden opnieuw geschud, heel lang. Niemand ging naar huis voor de rijsttaart. Dat noemde men een avond.
De jongeman wint vierendertig keer, en men vraagt hem nog altijd om over verliezen te praten.
De meneer met de microfoon kan best een andere vraag stellen.
Het klopt, we hebben het nagekeken: We Love Tennis.





