Alcaraz versloeg De Minaur met 6-1, 6-4 in de finale in Wenen. Zevende nederlaag in zeven matchen voor de Australiër. Ik zag de ceremonie ’s avonds, mijn handdoek nog over mijn schouder na de interclub, en ik herkende mezelf.
Want bij de prijsuitreiking zei De Minaur, lachend: „het is echt irritant om tegen jou te spelen”. En dat Alcaraz „een van de aardigste gasten op de tour” is. Irritant en aardig. Dat maak ik elke zondag om tien uur mee. Bij de tegenstander hebben we een speelster, schattig aan de kantine, onuitstaanbaar op terrein 4. Ze speelt alles terug. Ik nodig haar nog uit voor een frietje achteraf, en ik verlies toch.
Die 6-1, 6-4 ga ik niet uitpluizen: ik heb de schema’s niet, ik zat niet in de zone, ik zat aan de kantine. Maar één ding weet ik wel. Bij mij is zo’n score altijd het snarenbed.
En mijn forehand langs de lijn, tegen dat soort tegenstander, die maak ik. Niet altijd, maar ik maak hem.
Céline, die speelster aan de overkant, heb jij die ooit verslagen?
Eén keer, in 2023. Het plensde, en zij is de ballon niet gewend. Dat telt mee.
Wat ik leuk vind aan De Minaur: hij feliciteerde „heel zijn team”. Ik feliciteer ook het hele team van de tegenstander, zelfs de kapitein die de scores met een bic noteert. Zeven nederlagen op rij tegen dezelfde persoon, dat is een cijfer dat ik ken. Op twee trainingen na, hè.
Het klopt, we hebben het nagekeken: We Love Tennis.




