Het cijfer dat me sinds vanmorgen bezighoudt, is 400. “Vooral in dit toernooi, waar hij de bal 400 keer liet stuiten voor elke opslag. Dat was echt extreem”, zei Griekspoor. Ik heb rondgevraagd of dat een telling was of een manier van spreken. Drie antwoorden, drie versies. Men zei me dat ik het straks zou horen, en niemand is teruggekomen.
Kijk, het is heel simpel: die finale kondigde ik al in de eerste week als matig aan. Let op, ik zeg niet het tegenovergestelde van wat ik gezegd heb. Ik verduidelijk. In negentig procent van de gevallen wint de speler die te veel stuit alsnog, en ik ben nog vriendelijk.
Er zijn ook de “gratis punten”. Griekspoor vindt dat Ben Shelton er twee of drie per game weggaf. Men legt me uit dat een gratis punt niets kost aan wie het krijgt. Ik heb gevraagd wie dan betaalt. Men antwoordde dat het een beeld is, en daarna ging het over iets anders.
De rest heb ik nagekeken. Shelton schakelde Griekspoor uit in de eerste ronde van de US Open, klopte daarna Carlos Alcaraz in de kwartfinales na een tiebreak in de vijfde set, en verloor de finale tegen Zverev. Griekspoor zelf zei dat er op dat moment ook andere sporten bezig waren.
Domme vraag, maar wie tot 400 telt, kijkt die naar de match of naar de bal? Ik heb het geprobeerd op een replay, in de trein van 7.32, ik verloor de draad bij elf, en intussen was het punt gespeeld. Men zegt me dat het moeilijkste, als een speler zijn tijd neemt, is om aandachtig te blijven. Wie naar een andere sport keek, had dat probleem niet. Kortom, ik heb nog veel te leren.
Het klopt, we hebben het nagekeken: Tennis Actu.




